23 feb 2009

Dr. Dolittle

Uiteindelijk vertrekken we om twee uur 's middags uit Le Marin voor de 25 mijl naar Castries, St. Lucia. Al dagen waait het stevig, maar net nu we (te) laat vertrokken zijn en op tijd op het vliegveld willen zijn om ons bezoek op te halen, is er nauwelijks wind. We sukkelen over een flinke deining richting het Britse eiland en geheel tegen onze gewoonte in varen we de haven van de hoofdstad Castries binnen. We laten ons anker zakken in de Vigie Creek, en zijn de enige boot die in dit smalletje kreekje voor anker ligt. Normaal gesproken zouden we er nooit voor anker zijn gegaan, maar we kunnen de vliegtuigen zien landen en eigenlijk ligt het hier heel rustig met de romantisch verlichte restaurantjes om ons heen.

Vlak voor we vertrokken ontdekten we dat de WC pomp lekt. Het plastic van de pomp is blijkbaar niet bestand tegen de menselijke krachten of uitwerpselen want er zitten scheurtjes in het pomphuis waardoor het pompwater tegen je schenen spuit. Met weer een shitklusje in het vooruitzicht halen we eerst Eling van het vliegveld. Het blijkt maar goed te zijn dat we hem ophalen want ik moet me hoogstpersoonlijk als schipper komen melden bij de immigration officer om te verklaren dat Eling toch echt een weekje bij ons aan boord verblijft. En dat terwijl we zelf nog niet officieel ingeklaard zijn...
Eenmaal aan boord is Eling's tas snel een paar kilo lichter als de zakken drop, blikken Hollandse knakworsten en smac, nog meer echte koffie, laatste edities van Zeilen en de Waterkampioen tevoorschijn komen. Zelfs twee wereldberoemde (in Zierikzee dan toch) en meegesmokkelde - sinds de MKZ crisis zijn Engelse eilandbewoners niet zo happig op buitenlandse vleeswaren - grillworsten van slager Johan komen uit de tas!

We varen de volgende dag de paar mijl naar Marigot Bay, waar we ook kunnen inklaren. Een baai die zo goed verborgen is in de kustlijn dat een Britse admiraal zijn vloot hier voor een groep achtervolgende Franse schepen wist te verbergen. Nu is het een baai met een groot "Mini Port Zélande" gehalte, maar daarom niet minder mooi om voor anker te gaan. Als ik met Eling rond de boot snorkel om te zien hoe het anker zich heeft ingegraven blijken we maar net vrij te liggen van een enorm rotsblok waar ik net niet op kan staan. We nemen de ketting iets in zodat we vrij liggen van de rotspartij. Hier treffen we de eerste boatboys, locals die wat proberen te verdienen aan het bootjesvolk door te helpen bij het aanleggen of het verkopen van fruit. Ze noemen zichzelf allemaal Mr. Feelgood of Dr. Dolittle (naar de film die hier in 1967 is opgenomen).

Als we de volgende dag op punt staan te vertrekken komt de True Blue met Ton en Dominique, die we sinds Santa Cruz niet meer hebben gezien, de baai invaren. Het is leuk hen weer te zien en we besluiten richting Soufrière te varen en daar 's avonds de barbeque weer op te stoken. We besluiten naast de Petit Piton voor anker te gaan, voor het keienstrand van Malgretout. Sinds lange tijd zien we weer dolfijnen als we de baai van Soufrière in varen en we zijn de baai nog niet in of de eerste boatboys komen op ons af om ons te helpen een mooring op te pikken. Omdat het gebied tussen Marigot en de Pitons een beschermd natuurgebied is mag er niet worden geankeerd maar alleen aan moorings worden afgemeerd. Voor we de drijvende bal te pakken hebben vist Dr. Dolittle (behalve ankerballetjes opvissen en grapefruits verkopen doen de boatboys inderdaad niet veel) de ankerbal uit het water en staan er op het strand drie jongens te vechten om onze lijn naar de wal (zodat we met de neus op de deining liggen) aan te nemen. Het is even wat hectiek - uiteindelijk moeten we zelf naar de wal om onze achterlijn recht te trekken - maar dan liggen we prachtig. Op acht meter diepte zien we de rotsbodem onder ons en de vissen zien we onder de boot door zwemmen. Naast ons de indrukwekkend steile kliffen van de Petit Piton en vlak achter ons ruist de branding op de keien en zien we de kokosnoten in de bomen hangen.

Vlak voordat we de volgende dag na een erg gezellige avond weer afscheid nemen van de True Blue (zij gaan naar het noorden), kan Ascha nog net even Ton's en mijn haren knippen op het ruime achterdek, zodat we er met een Caribbean Coup weer even tegenaan kunnen. We zwaaien de True Blue uit en varen even later zelf een baai verder om tussen de twee Pitons een mooring op te pikken. Rond de Pitons is het prachtig snorkelen en het is alsof we in een tropisch aquarium zwemmen met zoveel felgekleurde vissen om ons heen.
Na drie pogingen om de scheurtjes in de schroefgaten van de WC pomp te dichten, blijkt de instant-wonder-epoxy te houden en blijft de pomp waterdicht. Hoewel een frisse duik na het wakker worden natuurlijk heerlijk is en de pot van de buurman ook lekker zit, is het altijd fijner om weer op je eigen potje te kunnen zitten!
Het hele gebied tussen de Pitons blijkt te zijn opgekocht door een projectontwikkelaar die er een enorm groot en luxe resort heeft laten bouwen. Als we 's avonds even wat eenvoudigs willen gaan eten betalen we het meeste geld dat we ooit voor het kleinste stukje vlees hebben betaald, maar daar kregen we dan wel één sneetje brood bij. Voor dat geld mochten wel gebruik maken van de poultafels...

Na een ietwat rollerige nacht gaan we op pad om wat meer van St. Lucia te zien. Maar niet voordat we eerst het halve resort zijn doorgesjouwd op het heetste moment van de dag. Elke keer zagen we pendelbusjes rijden, maar niet op de route die wij lopen vandaag. Uiteindelijk krijgen we van een vriendelijke taxibuschauffeur een lift naar de Mineral Baths. Onder twee watervallen zijn baden gemetseld waar het warme mineralenwater in stroomt. Na een bad zou je je tien jaar jonger moeten voelen. Helaas is dat niet het geval, maar lekker verfrissend was het wel en na een uurtje badderen sjokken we verder in de hitte over de steile kronkelweg. 

Langs Zaka's Art Gallery gaat het verder naar de Sulphur Springs. Terwijl elke toerist in zijn auto met airco door de enige "drive-in volcano" rijdt, lopen wij in de hitte langs de stinkende, naborrelende restanten van de vulkaan. Toen we twee dagen eerder voor Soufrière en Malgretout lagen roken we al een stinkende lucht, maar we hadden geen idee dat deze lucht hier vandaan kwam. Achteraf hadden we dat kunnen weten want Soufrière - bijna elk eiland hier heeft wel een dorp of stad met deze naam - is een verbastering van "sulphur in the air".

De laatste stop voordat we naar Rodney Bay varen is Anse Cochon. Een kleine baai met schitterende snorkelgebieden. Vanaf de boot kunnen we naar een van de mooiste snorkelplaatsen op het eiland zwemmen. Overdag dumpen de "Party Cats" (de grote chartercatamarans vol toeristen en harde muziek) hier hun gasten op het strandje maar aan het eind van de middag hebben we de baai bijna voor ons alleen en we liggen heerlijk rustig. 's Avonds eten we exclusief bij Ti Kaje. Kost een paar centen, heb je ook wat. Zelfs een massage vooraf!

De tocht naar Rodney Bay is er een van wisselende wind- en weersomstandigheden. In vier uur tijd krijgen we alles tussen 5 en 35 knopen wind en een paar flinke buien op onze nek. Na wat op de kaart een klein stukje lijkt maar in werkelijkheid een flink stuk opkruisen was, varen we eind van de middag Rodney Bay Marina in, en als we op zoek zijn naar de toegewezen box maakt de motor mechanisch ratelende geluiden. Voorzichtig meren we af in de toegewezen box. Het zal toch niet weer de saildrive zijn?

De volgende dag op zoek naar een Volvo Penta dokter die ons oude MD17'tje kan onderzoeken, maar pas na het weekend heeft er misschien iemand tijd. Ik stuur een SMS naar Ton, monteur van beroep, maar nu net in Le Marin op Martinique. Als we donderdag, eind van de middag op het strand een biertje zitten te drinken, zien we een schip liggen dat wel heel erg op de True Blue lijkt. Het zal toch niet waar wezen?! Met ons fototoestel als verrekijker kijken we eens goed en inderdaad zijn Ton en Dominque 's middags vanuit Le Marin voor ons teruggevaren. De volgende ochtend onderzoek ik samen met dokter Ton onze motor maar net als bij de dokter zijn in de stoel de kwaaltjes verdwenen. De motor ratelt even en daarna klinkt alles weer als normaal.
We besluiten de motor voor het weekend te bewaren en eerst Eling met een huurauto naar het vliegveld te brengen. De laatste middag toeren we met de auto langs de ruige oostkust van het eiland naar het vliegveld, op het zuidelijkste puntje van het eiland. De westelijke weg terug is aanvankelijk goed, maar tussen Soufrière en Castries is het rally rijden. Ze hebben hier geen drempels nodig, hier hebben ze kuilen! De wegen zijn op sommige stukken enorm slecht onderhouden, laat staan verlicht, met grote scheuren en gaten in de weg als gevolg. Het laatste stukje rijden we inmiddels in het donker slalommend tussen de kuilen door over weggetjes met hellingen van meer dan 10% maar weten uiteindelijk de haven weer te vinden.
De week met Eling is voorbij gevlogen met snorkelen, van de ene baai naar de volgende baai varen en het eiland bekijken. Maar na een weekje limen en Dr. Dolittle'n kunnen we weer aan de slag. Van het weekend gaat de motor uit elkaar, en als het goed is zijn de nieuwe spanners eindelijk aangekomen dus kunnen we de mast weer in.

Comment Notification Subscription

You have been unsubscribed from email notifications for any future comments to this post.

Reacties

kaatje 
maandag 23 februari 18:20 #

Ziet er weer machtig mooi uit.

En jullie zien er ook goed uit lekker bruintjes...


xxx kaatje

Reacties zijn gesloten

Welkom op Sailinglive.nl

In de zomer 2008 vertrokken we voor een reis met onze zeilboot Live, een Baltic 39 uit Zierikzee. Langs de westkust van Europa zeilden we naar het zuiden om vervolgens de Atlantische oversteek te maken naar de Caribbean, waar we een jaar lang hebben rondgezeild. Daarna ging het via Cuba naar de Verenigde Staten. In mei 2010 zeilden we de Oosterschelde weer op een keerden na duizenden zeemijl weer terug in onze thuishaven.

Laatste reacties